Bijna twintig jaar lang had ik mijn werkkamer in het poortgebouw van de Faculteit voor Culturele en Maatschappijwetenschappen in Maastricht (Fasos). In een uithoek van het gebouw, geen student kon die kamer vinden. Dat was natuurlijk een voordeel, we grapten wel eens dat de research skills van studenten begonnen met het zoeken naar de kamer van hun prof….

Diaspora

Het was een gedeelde kamer met zeven collega’s, ook dat bleek in de praktijk vaak een voordeel. Hoeveel mooie gesprekken voerden we er niet? Hoeveel kleine ervaringen wisselden we niet uit? Het voegde veel toe aan mijn menselijke en academische horizon. Vorig jaar nog deelde ik de kamer tegelijk met een onderzoeker uit Oekraïne, Palestina en de Verenigde Staten, die alle drie hun land waren ontvlucht… Vergeleken met hun levensverhaal leken mijn Europese rondzwervingen een lieflijke pelgrimage.

Wat bewaar je als docent?

Aan het eind van een academische loopbaan moet je op een gegeven moment dus je kamer verlaten en je archief opruimen. Op een zonnige zaterdag, eind februari 2026, pakte ik die klus aan.

Mijn bureau en werkhoek was altijd rommelig: want als docent ben je gehaast, telkens weer op weg om een volgende deadline te halen of bij een volgende afspraak op tijd te komen. Opruimen stel je uit. Met als gevolg dat je ongewild een mooi archief van het dagelijkse werk hebt bewaard. Tja, wat bewaart een docent nog op papier?

  • artikelen die je in het onderwijs met studenten leest (met eigen aantekeningen)
  • scripties van studenten die je op papier corrigeert (met veel aantekeningen)
  • portfolio’s van mentorstudenten (om een open gesprek te voeren moet je ze printen, niet telkens op je scherm turen)
  • examenvragen en examenmaterialen voor mondelinge examens (ik hield van mondelingen en dat vroeg papieren ondersteuning; je voerde een écht gesprek over kennis en inzicht en het papier garandeerde dat studenten niets van het internet lazen)
  • notulen van belangrijke vergaderingen (met aantekeningen)
  • uitdraaien van colleges en powerpoint-presentaties (met aantekeningen)
  • attendence lists uit een ver verleden (toen studenten nog voor hun presentie moesten tekenen)
  • prints van reference letters voor studenten (eerst printen, dan tekenen, stempelen en scannen)

Als je het zo overziet, is een papieren archief dus uitdrukking van een bepaalde tijdgeest, maar ook van persoonlijke keuzes in de didactiek. Zonder papier zouden bepaalde dingen niet hebben gekund en veel aan kwaliteit hebben ingeboet.

Highlights

De highlights van zeventwintig jaar werken aan de universiteit van Maastricht zijn nog af te lezen uit de stapels papier die ik opruim. Zoals de vakken die ik heb gegeven: After Babel, een inleding in meertaligheid en ‘language policies’ (mijn belangriijkste vak); The Idea of Europe, een geschiedenis van Europa en wat mensen zich ervan voorstellen; Digital Cultures, over digitaliseringsprocessen in de Westerse samenleving; veel trainingen in Academic Writing Skills. Je moet tegenwoordig breed en veelzijdig zijn in het academisch onderwijs… maar er zit toch een duidelijke lijn in. Het liefst gaf ik les ion de bachelors, dan kon je studenten het langst begeleiden. Daarbij: acht jaar lid geweest van de examencommissie van onze faculteit. En ook acht jaar directeur geweest van het universitaire Talencentrum, met zijn eigen complexe logistiek. Wat zeggen de papieren? Ik ben een letterenmens, een mensenmens (veel aandacht voor individuele studenten en collega’s) en een toetsenmens, gericht op ‘academic literacy’ en ‘digital literacy’. Zeg maar humanist in het nieuwe millennium.

Nog meer papier

Maar er zat nog een ander patroon in die ogenschijnlijk rommelige stapels papier. Ik vind veel wetenschappelijke jaarverslagen terug (in dat genre wordt immers ruim en duur gedrukt). Folders voor cursussen en student-initiatieven (zonder papieren folder vond je vaak niet genoeg deelnemers). Daarnaast veel bonnen van aangeschafte boeken (niemand die een papieren rekening meteen weggooit). Financiële overzichten (met vraagtekens in de kantlijn). Snel geschreven to-do-lists en schema’s voor lezingen en artikelen (die behoren tot de meest intense herinneringen). En ook: tal van ansichtkaarten.

Academische ansichten

Hierboven noemde ik ze al: de reference letters. Ik schreef er gemiddeld vijftien tot twintig per jaar. Onze studenten hadden die nodig om toegelaten te worden voor een Erasmusuitwisseling, stage of master. Het schrijven van die brieven was ondankbaar werk in de marge, maar voor studenten van enorme betekenis. Niemand had tijd om dergelijke brieven te schrijven, het was een hoop gedoe en nam al gauw een half uur per brief. Hoe kon je je als docent daartegen beschermen? Ik beperkte me in principe tot studenten die ik wat beter kende: hoofdvak-, scriptie- en mentorstudenten. En ik vroeg een kleine tegenprestatie. Wil je me dan misschien een ansichtkaart sturen uit de stad waar je verder gaat studeren? Alle studenten stemden met die voorwaarde in, ze waren blij dat ze na een wanhopige zoektocht hun kostbare testimonium kregen. En ze vonden het meestal ook leuk om na enkele maanden een groet te sturen naar hun docent in Maastricht. Met een persoonlijk verhaal, een herinnering, een paar dankwoorden… Ik heb honderden van die leuke kaarten ontvangen, uit de hele wereld. En natuurlijk heb ik ze zorgvuldig bewaard.

In de versnipperaar?

Veel van het papieren materiaal is in de versnipperaar terecht gekomen, maar de kaarten heb ik mee naar huis genomen. Het opruimwerk op die zaterdag viel helemaal niet tegen. Nog één keer kon ik door al die paperassen heengaan. Nog één keer wierp ik een snelle blik geworpen op zorgvuldig opgestelde brieven, kunstig geformuleerde examenvragen en mooi geschreven artikelen. Teksten die passie en expertise verraden… Daarna mochten ze worden vernietigd, ze hadden hun tijd uitgediend. Maar die doos met persoonlijke ansichtkaarten heb ik wel bewaard, hij staat nu thuis. De vrolijk volgekrabbelde kaartjes, ze zijn zoveel leuker dan mails en foto’s… ze drukken iets heel persoonlijks uit. Ja, ik ben trots op die kleine kaartjes, waar studenten de moeite voor namen en een postzegel voor betaalden, waar ook veel aan vooraf was gegaan: eerst was er die vertrouwensrelatie, daarna een mooie brief en tenslotte een spannend academisch avontuur. Niemand die dat de studenten en hun docent nog afneemt!