Gesprek met Karen Armstrong
Karen Armstrong is voor een lezing in Nederland en kan een uurtje vrijmaken voor een interview met de Beweging van Barmhartigheid. Over haar nieuwste boek met de spannende ondertitel ‘hoe we de relatie met onze natuurlijke omgeving kunnen herstellen’. Over compassie en de betekenis ervan voor de samenleving. Over haar religieuze achtergrond en kloostertijd. Ik hoef in het hotel maar kort op haar te wachten: precies op tijd stapt Karen de spreekkamer binnen. Ze is een kleine, wat gedrongen dame die gedecideerd de ruimte betreedt. Een persoonlijke kennismaking lijkt niet nodig te zijn, Karen steekt meteen van wal. Het lijkt alsof ze zich, een beetje schuchter, achter een rijke woordenstroom verschuilt. Trefzeker in haar woordkeus en met een opvallend heldere, warme stem.
In het westen verkopen mijn boeken het slechtst… religie ligt ingewikkeld!
Kun je je voorstellen dat mijn boeken het slechtst verkopen in het Westen, in mijn eigen land helemaal? Want daar heerst een vooroordeel: religie wordt belachelijk gevonden. Het is niet zo gek als je ziet hoe de religieuze autoriteiten zich gedragen. Met de gedachte: mijn religie is beter dan de jouwe, misschien wel het allerbest. Dat is egotripperij. En al dat gedoe rond het celibaat, dat is gewoon een ziekte. Het vertroebelt de blik. Mensen kijken daardoor niet meer naar het hart van de zaak. Jezus en Paulus waren helemaal niet bezig met het celibaat. Als de aartsbisschop van Canterbury de armen zou helpen, als hij echt met hen over hun problemen in gesprek zou gaan, zouden mensen wel anders naar de kerk kijken. Als et maar over wezenlijke dingen zou gaan: rechtvaardigheid, armoedebestrijding, compassie.’
Compassie aanleren
Hoe zou u mensen compassie aanleren? De Beweging van Barmhartigheid heeft een leerroute in compassie en er blijken veel verschillende aanvliegroutes te zijn voor een houding van compassie. Hoe zou u dat aanpakken?
Compassie is: meevoelen met een ander. Je ermee identificeren. Dat is niet perse een gevoelskwestie, je hoeft ook niet door medelijden overweldigd te worden. Het gaat eerder om invoelen, je inleven in die ander. Dat is de essentie van wat de Gouden Regel ons leert. Kijken in je eigen hart en ontdekken wat jou pijn doet. En voorkomen, koste wat kost, om een ander diezelfde pijn aan te doen. ‘Wat Gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet. Dat is de Gouden Regel die in alle wereldgodsdiensten in zeer vergelijkbare bewoordingen voorkomt.
U bent nu een toonaangevend schrijver over religie. Het is interessant dat u in het begin moeite had u op dit terrein waar te maken, zowel in de kloosterwereld als de universiteit had u het moeilijk.
Mijn leven was een een lange serie mislukkingen. Het is ook een antwoord op die mislukkingen!
Ja, mijn loopbaan begon met mislukkingen. Eerst wilde ik kloosterzuster worden. Maar na zeven jaar ging dat niet meer en trad ik uit. Daarover gaat mijn boek Door de nauwe poort uit 1982. Het was mijn eerste boek en er zat veel woede in. Ik had godsdienst als bron opgegeven, voor altijd dacht ik toen. Mijn boek was een uiting van rebellie, maar ook van verdriet. Ik was door de kloosterervaring beschadigd. Ik had ook een moeilijke jeugd gehad, door bepaalde dingen in de familie. Het was niet voor niets dat ik op mijn 17e uit huis ging. Dat speelde bij die mislukking in het klooster mee, dat zie ik nu.
Een antwoord op mislukkingen
Daarna had ik maar één droom: ik wilde docent Engelse literatuur worden aan de universiteit. Maar ook dat mislukte. Want mijn proefschrift werd niet goed gekeurd. Ik was wel een slimme jongedame, maar een bepaalde professor vond het onderwerp niet goed uitgewerkt. Dat was ongewoon. De faculteit in Oxford heeft er zes maanden over gedelibereerd. Stafleden waren geschokt, Amerikaanse collega’s bijvoorbeeld konden het zich niet voorstellen. Maar het besluit kon niet worden heroverwogen, dat zou de betekenis van een Oxford-doctorstitel in diskrediet brengen. Daarna werd ik lerares aan een middelbare school. Maar die baan raakte ik kwijt vanwege gezondheidsproblemen. Pas in de leegte die zich toen aandiende, begon ik met schrijven.
U bent dus eigenlijk een laatbloeier. Is uw schrijfwerk een reactie op die mislukkingen?
Daarin is het wel begonnen, ja. Ik had het geluk dat ik voor een nieuw televisienet, Channel 4, een programma mocht maken over de apostel Paulus. We gingen daarvoor naar Israël. Ik kreeg een adviseur, een nieuw-testamenticus van wie ik veel heb geleerd. Ik had natuurlijk vooroordelen tegen Paulus, was dat niet een man die fel tegen vrouwen was? Maar hij weersprak me en nam me stevig onder handen. Ik luisterde en deed nieuwe inzichten op. Het leverde een interessante documentaire op. In die tijd ben ik anders beginnen te denken over religie, het was een nieuw begin. Mijn woede ging nog wel door, mijn eerste boek zonder woede was pas de History of God uit 1993. Misschien omdat ik toen ineens de diepten van de dingen begon te zien.
In uw levensverhaal krijgt de tijd in het klooster vaak een negatieve duiding. Maar soms krijgen we de indruk dat u nog steeds een soort zuster bent. Met uw religieuze horizon, uw missie, uw uitgesproken roeping…
Dat klopt. Ik zou die kloostertijd ook nooit hebben willen missen, ik heb er geen spijt van. En ik ben nooit getrouwd.
Dus eens een zuster altijd een zuster?
Weet je… van het een komt het ander. Mijn roeping heeft een wijdere betekenis gekregen. Vanuit het christendom heb ik me verbreed. Door de studie van andere godsdiensten heb ik ook weer veel over het christendom geleerd, ben ik dat pas echt gaan begrijpen.
Waren er in die kloosterjaren ook ervaringen van barmhartigheid?
Soms wel ja. Er was bijvoorbeeld een zuster die kanker had en veel pijn leed. Ze moest in functie blijven, dat was niet erg barmhartig natuurlijk. Maar zij zag iets in mij, ze was heel aardig. Ook nuchter, helemaal niet sentimenteel. Maar met een aandacht en vriendelijkheid die ik in het klooster verder niet heb gezien: zij leefde met wat ik nu compassie zou noemen.
Al mijn grote thema’s zijn in het klooster begonnen!
Mijn kloosterjaren waren in het begin van de jaren zestig. Ik heb dus de oude tijd meegemaakt, vóór de vernieuwingen van het Vaticaans Concilie. We begonnen na te denken over veranderingen, maar het zou een generatie duren, misschien wel twee, voordat die vorm kregen. Veel zusters hebben trouwens helemaal niet geprobeerd het kloosterleven te vernieuwen, die zijn net als ik uitgetreden. Buiten het klooster zijn ze wel met de grote thema’s verder gegaan. Dat geldt ook voor mij met mijn interreligieuze boeken en het Handvest voor Compassie.
Klik hier voor de complete tekst van het interview.
Eerder gepubliceerd op www.barmhartigheid.nl