Anton van Duinkerken als geleerde (2003)  
De Franse inspiratiebronnen van Joost van den Vondel (2004)  

Nederlandse Luisterboeken - essay voor Giorgio Faggin - Charles van Leeuwen (2009)

Letterkundige en historische studies

Ik ben altijd een enthousiast voorstander geweest van een opleiding in de ‘algemene letteren’, vanuit het idee dat letterkundigen en historici zich op allerlei terreinen moeten kunnen bewegen. Studenten dienen vroegtijdig te leren om zich interdisciplinair te bewegen, want ook later zullen ze zich in hun werk met verschillende domeinen moeten bezighouden. Dat vergt moed, creativiteit en ook enige bescheidenheid.

Zelf heb ik als literair historicus in mijn proefschrift over heiligenliederen in de Gouden Eeuw tevens de domeinen der hagiografie, kerkgeschiedenis, kunstgeschiedenis en muziekgeschiedenis moeten betreden. Die ervaring heeft me gesterkt in de overtuiging dat een creatief onderzoeker aan zijn eigen vakgebied voorbij moet durven gaan, zijn talen moet kennen, eruditie niet moet schuwen en kansen moet aangrijpen om interdisciplinair te werken.

Mijn publicaties hebben soms een gelegenheidskarakter en weerspiegelen het feit dat ik in een Italiaans en Frans taalgebied heb gewerkt. Ook mijn enigszins antiquarische achtergrond schemert in de stukken door. De meeste stukken en boeken zijn ontstaan in de vrije tijd en getekend door het otium, door vriendschappen en persoonlijke voorkeuren. Gezien het feit dat er zo ontzettend veel verschijnt, en het lezen van al die teksten allerminst vanzelfsprekend is, heb ik er zelf altijd naar gestreefd publicaties zo leesbaar en aantrekkelijk mogelijk te maken, zowel in het wetenschapelijke als het populair-wetenschapelijke domein.

Thema’s die in mijn werk met regelmaat terugkomen, zijn: religieus leven, vertalen, reizen. Onder de auteurs met wie ik me heb beziggehouden, zijn Polybius, Gregorius de Grote, Bernardus, Petrarca, Vondel, Stalpart van der Wiele, Maria Petyt, Van der Meer de Walcheren, Coster. Als historicus en letterkundige houd ik graag het ideaal voor ogen van de katholieke dichter en geleerde Anton van Duinkerken, aan wie ik een portret heb gewijd ter gelegenheid van zijn 100ste geboortejaar.

Les études d’histoire et les études littéraires

J’ai toujours été un chaud partisan d’une formation en « lettres générales » car les littéraires et les historiens doivent aborder des sujets touchant à de nombreux domaines. Les étudiants devraient apprendre très tôt à se mouvoir sur différents terrains d’études, apprendre à être pluridisciplinaires puisque c’est ce qui leur sera demandé dans leur future vie professionnelle.
Cela exige courage, créativité et, de plus, une certaine modestie.

Je suis un historien littéraire et dans ma thèse sur les chants hagiografiques au Siècle d’Or, j’ai dû pénétrer les champs de l’histoire littéraire, de l’hagiographie, de l’histoire de l’église, de l’histoire de l’art et de l’histoire de la musique. Cette expérience a renforcé ma conviction qu’un chercheur créatif doit oser dépasser sa spécialité, doit connaître les langues, ne doit pas craindre l’érudition et doit saisir toute chance de travail interdisciplinaire.

Mes publications sont, parfois, marquées par les circonstances et reflètent le fait que j’ai travaillé en Italie et en Belgique francophone. Elles laissent également transparaître mon goût de la littérature ancienne. La plupart de mes travaux et de mes livres ont été écrits pendant mon temps libre et sont marqués par le loisir (ce que les anciens ont toujours mentionné : otium) et par des choix personnels dictés par l’amitié.

J’ai toujours essayé que mes publications scientifiques ou de vulgarisation soient le plus agréablement lisibles qu’il se puisse. La vie religieuse, les traductions, les voyages sont les thèmes récurrents de mes écrits. En tant qu’historien et en tant que littéraire, je garde toujours à l’esprit l’idéal d’Anton van Duinkerken, poète catholique et grand savant à qui j’ai dédié un portrait à l’occasion du centième anniversaire de sa naissance.